‘Iedereen heeft poëzie in zich’ – in gesprek met Ivo van Strijtem

19 september 2019

Door Dieuwertje Mertens

Dichter, poëzievertaler en bloemlezer Ivo van Strijtem (1953) is een vurig pleitbezorger van de poëzie. “Poëzie speelt zich te binnenskamers af en moet uit haar boeken treden. De Nacht van de Poëzie is hier het voorbeeld van.”

In uw essaybundel Iedereen dichter, vraagt u zich af: ‘Is de poetry free zone van het leven zozeer uitgebreid dat je nergens nog kans maakt, of het risico loopt over een vers te struikelen?’ Waar denkt u dat de poëzie zich schuilhoudt?

‘Iedereen heeft poëzie in zich. Als je met een kleuter aan de hand over straat loopt, zal hij voortdurend stoppen, omdat hij iets opmerkt waar hij zich over verwondert. In die verwondering schuilt de poëzie. Maar het wordt ons afgeleerd om poëtisch te zijn, vanuit een angst dat het de klare kijk op de dingen verdoezelt. Die angst is natuurlijk ongegrond, want poëzie verbreedt onze kijk op de dingen.’

In u laatste bundel Een kamer met een tafel en schrijfgerei dicht u: ‘lezers lievelingen/lees elk gedicht dat je maar vinden kan want/o wat zullen ze me missen’. Is de poëzie zonder u ten dode opgeschreven?

‘Dat gedicht komt uit de cyclus Sterven en bestaat uit acht etudes of bedenkingen over sterven. In 2016 was ik ernstig ziek en lag ik op de intensive care. Het ergste vond ik dat ik zo ziek was dat ik niet kon lezen; ik werd afgesneden van de literatuur. Toen dit allemaal achter de rug was, was ik zo gelukkig. Die bundel was geen kamer met een ziekbed zonder uitzicht, maar ‘my own private resurrection’: ik heb ervaren hoe belangrijk poëzie voor mij is.’

Wat betekent dichten voor u?

“Dichten zit in mij. Als jonge tiener begon ik al met het schrijven van gedichten, ook vanuit een enorme bewondering voor poëzie. Ik onderschrijf de uitspraak van Anna Achmatova dat de woorden tevens door het hart moeten gaan voor ze op het papier belanden. Maar alleen gevoel is ook niet genoeg. Dichten doe je met je hart en brein. Creëren is een manier om boven jezelf uit te stijgen.”

U dicht ook; ‘waar blijft ze toch het meisje poëzie (..)/terwijl wel duizend dichters al te binnenskamers op haar wachten’ Is poëzie teveel naar binnen gekeerd?

‘Het valt me op dat veel gedichten minder communiceren en zich al te binnenskamers afspelen. Ik vind dat gedichten uitzicht moeten hebben op de wereld waar we rechtsreeks mee te maken hebben: Poëzie moet gaan over politiek, de buren, het echte leven.  Als dichter wil ik mensen aanspreken. Poëzie moet uit haar boeken treden.’

Welke rol kan de Nacht van de Poëzie hierin vervullen?

‘De Nacht van de Poëzie is natuurlijk hét voorbeeld hiervan. Ik ging in 1973, op mijn achttiende, voor het eerst naar een Vlaamse Nacht van de Poëzie en vond het een revolutionaire belevenis. Ik dacht: ooit wil ik daar eens tussen staan.’

Bent u een performer?

‘Ik lees heel graag voor en ben ook erg enthousiast. Welke gedichten? Ik twijfel me naar een oplossing toe. Ik denk aan het gedicht ‘Voor’ dat eindigt met de regel ‘hier is het onderdak.’ Dat vind ik mooi, omdat ik de Nacht van de Poëzie als een onderdak voor de poëzie zie.’